Toon Hermans Huis -- Maastricht

Oude puber

Uiteraard bestaat er een groot verschil tussen kanker hebben of er tegenaan kijken. Aanleiding tot het steeds terugkerende gefilosofeer over dit thema zijn de reacties op een kleine ingreep die ik moet ondergaan in het dagcentrum van het azM. In mijn oksel heeft zich een knobbel genesteld die groeit en pijn doet. Dat laatste schijnt nogal gunstig te zijn. De absoluut goed bedoelde reacties van de mensen om mij heen storen mij vreselijk en ik krijg aan hen, maar vooral aan mijze, maar niet goed uitgelegd waarom dan wel.
Voorbeeld van hoe dat gaat: ‘Wat voel je nu?’ Ik: ‘Niks.’ ‘Ben je erg bang?’ Ik: ‘Nee.’ ‘Wat kan ik voor je doen?’ Ik: ‘Niets.’ ‘Doe maar een poosje lekker rustig aan.’ Ik: ‘Nee.’ ‘Zal ik met je mee gaan.’ Ik: ‘Hoeft niet.’ ‘Je verdringt je ziekte.’ Ik: ‘Vast wel.’
Als ik dit zo zie staan lijk ik wel een recalcitrante puber en word ik niet goed van mijzelf, maar geloof me, er zit machteloosheid onder. Pas op het moment dat iemand tegen mij zegt: ‘Wat ben jij hard voor je zelf’, probeer ik de juiste woorden te vinden die passen bij wat ik voel. Ik vind ze verdomme niet, ga mij zelfs verdedigen, zeggen dat ik helemaal niet zo hard ben als het lijkt. Van de weeromstuit moet ik bijna huilen. Maar waarom dan toch?
Ik geloof dat ik geen knuffelkanker wil hebben, dat ik protesteer tegen de bijna verplicht aanvoelende aaibaarheid van kankerpatiënten.
Uitgerekend bij de kapper, lezend in een blaadje dat ik nooit zou lezen, kom ik voor het eerst de woorden (taal) tegen waarin ik mij kan herkennen, die ik graag zelf had bedacht en als antwoord gegeven i.p.v. mij zo puberaal af te zetten tegen goedbedoelde uitspraken van mensen die om mij geven.
Een Duitse meneer schrijft: ‘Naar lichamelijke ziektes toe is het van belang om de mentale labels over die ziekte los te laten. Als je voortdurend denkt dat je aan die ziekte lijdt, dan geef je het een dergelijk vaste vorm dat het onmogelijk wordt om los te laten.’
Ergens anders kom ik deze week ook een mooie tegen: ‘Het is beter een kaars te branden dan te zitten in de duisternis.’ Met mijn eigen woorden nu: ‘Dan wordt je die ziekte i.p.v. dat je hem hebt.’ Hier kom ik vanzelf weer uit bij de titel van mijn boek: ‘Je hèbt kanker, maar je bènt het niet.’ Mijn lieve dochter pakt het, haar moeder kennende, anders aan. Zij zegt met een dun stemmetje: ‘Nou mam, fijn ziekenhuisbezoek dan.’ Ze heeft me toch te pakken….ik sta met mijn mond vol tanden. Puber af.



< terug
 
 
ivengi - internet en multimedia