Afscheid
Ze lag met haar kopje naar beneden en het staartje dat bijna 16 jaar onophoudelijk had gekwispeld, wees stil tussen het ijs omhoog.
Toen Mo haar uit de vijver tilde, was ze nog warm. Een sliert wier hing als een ketting om haar nek, haar ogen gebroken. Alleen aan die ogen kon ik zien dat ze dood was, want toen ze weer in haar vertrouwde mandje lag, de oortjes zoals altijd recht omhoog, de pootjes aandoenlijk opgekruld, leek het even niet waar.
Mo drukte zijn doktersoor tegen haar hartje en maande mij stil te zijn, want ik bleef maar tegen haar praten, alsof ik het zo ongedaan kon maken. Haar ogen waren zo verschrikkelijk dood, dat ik geen moment meer geloofde dat het staartje weer zou gaan kwispelen. Ietwat plechtstatig bevestigde Mo: ‘Ja, ze is dood.’ Ik ging haar wat doelloos droog zitten wrijven en snotterde met mijn kop tegen de hare zinloze dingen in de trant van: ‘ Ja maar, ik zou net maandag een nieuw bandje voor je hebben gekocht, dit keer met een blauw sjaaltje er aan’. Of: ‘Weet je nog wel toen je achter die dikke vette koe aanging?’ en: ‘We hebben nog wel lekker gewandeld van middag hè?’ Je bent trouwens bijna jarig en weet je nog dat we altijd zij aan zij in de zee zwommen?’ Maar ook: ‘Sorry, hondje dat ik je niet heb kunnen helpen, dat ik er niet bij was toen je dood ging, dat ik geen afscheid heb kunnen nemen, dat ik je in de steek heb gelaten.’ Zo jammerde ik een poos door en niets hielp om mijn verdriet en schuldgevoel te verzachten. We hebben haar die nacht met mandje en al lekker tegen de kachel geschoven zo dat ze het niet koud kon hebben.
Dicht tegen Mo aangekropen heb ik in de warmte van zijn armen overdacht dat er geen liever hondje ooit op de hele wereld had bestaan. Dat ze de enige was geweest tegen wie ik vanaf het moment dat ik kanker kreeg alles kon vertellen en die uiteraard altijd de juiste antwoorden gaf, namelijk kwispelen met het staartje.
We hebben haar de volgende dag begraven met eigen kussentje en doek en samen met de kleinkinderen ga ik een echt graf maken met alles wat ze er op of er aan willen. Ik zal ze vertellen over een klein hondje dat groot en dapper was en dat ik echt niet weet of er een hondenhemel bestaat, maar mocht die wel bestaan, dan ligt ze in een gouden mandje.
< terug |